Mogelijkheden voor identificatie op internet op basis van IP-adres

Wanneer er een strafbaar feit plaatsvindt, moet de dader op basis van achtergelaten sporen worden gevonden om uiteindelijk tot vervolging over te kunnen gaan. Voor online criminaliteit geldt dat het IP-adres een directe aanwijzing is richting de aansluiting en/of het systeem vanaf waar een bepaalde strafbare handeling werd verricht.

In het kader van de voorgenomen wetgeving omtrent de introductie van een beperkte bewaarplicht van telecommunicatiegegevens voor opsporing en vervolging is onderzocht hoe identificatie van individuele gebruikers op basis van een publiek IP-adres technisch te realiseren is. In het onderzoek is gekeken naar diverse relevante maatschappelijke afwegingen zoals de bruikbaarheid voor opsporing en vervolging, de privacy van burgers en de kosten voor de internetaanbieders. Uit een internationale vergelijking worden lessen voor de Nederlandse situatie getrokken. Volgend uit het onderzoek worden verschillende beleidsopties uitgewerkt.

Het onderzoek is in opdracht van het WODC door Dialogic uitgevoerd in samenwerking met Inwilution. Meer informatie is te vinden op de website van het WODC.

Onderzoeksvraag

In het kader van de voorgenomen wetgeving omtrent de introductie van een beperkte bewaarplicht van telecommunicatiegegevens voor opsporing en vervolging is onderzocht hoe identificatie van individuele gebruikers op basis van een publiek IP-adres technisch te realiseren is. De vraagstelling van het onderzoek luidde:

Hoe kunnen (mobiele) internetaanbieders, tot twaalf maanden na het gebruik, een individuele gebruiker van een publiek IP-adres identificeren, ten behoeve van opsporing en vervolging, en wat zijn relevante (maatschappelijke) afwegingen daarbij?

Wanneer het gaat om relevante maatschappelijke afwegingen onderscheiden we (1) bruikbaarheid voor opsporing en vervolging, (2) privacy van burgers, en (3) kosten voor de internetaanbieders. Voor het beantwoorden van de onderzoeksvraag zijn literatuuronderzoek en interviews (met mobiele internetaanbieders, politie, andere stakeholders/experts) ingezet. Op basis van de bevindingen zijn beleidsopties geformuleerd.

Achtergrond

Wanneer er een strafbaar feit plaatsvindt, maar dit niet op heterdaad wordt geconstateerd, moet de dader op basis van achtergelaten sporen worden gevonden, om uiteindelijk tot vervolging over te kunnen gaan. Om bijvoorbeeld de dader van een snelheidsovertreding te vinden, kunnen kentekens worden geregistreerd. Voor online criminaliteit geldt eenzelfde principe. Wanneer communicatie plaatsvindt op het internet is bij de ontvanger typisch het IP-adres van de afzender bekend – dit is immers nodig voor de communicatie in de tegengestelde richting. Dit IP-adres geeft daarmee een directe aanwijzing richting de aansluiting en/of het systeem vanaf waar een bepaalde strafbare handeling werd verricht. Het IP-adres wordt uitgegeven door een (mobiele) internetaanbieder. IP-adressen worden toegekend door internetaanbieders (ISP’s). Opsporingsdiensten kunnen internetaanbieders verzoeken bekend te maken aan welke abonnee een bepaald IP-adres is uitgegeven.

Als gevolg van ontwikkelingen op het internet is de koppeling tussen individu en IP-adres niet meer zo evident als voorheen. Door de schaarste van IPv4-adressen (vierde versie van het internetprotocol), moeten de adressen worden gedeeld tussen abonnees. Dit kan door dynamisch toewijzen; abonnees delen hetzelfde IP-adres, maar nooit tegelijkertijd. Op basis van datum, tijd en publiek IP-adres is een individuele abonnee in dat geval nog steeds identificeerbaar. Deze situatie is vergelijkbaar met wanneer een bestuurder van een huurauto wordt gezocht op basis van kenteken: het kenteken behoort weliswaar tot het verhuurbedrijf, maar deze kan, op basis van de eigen administratie, de huurder achterhalen.

In situaties waarbij het aantal beschikbare IPv4-adressen veel kleiner is dan het aantal apparaten dat gelijktijdig online is, is het nodig IPv4-adressen gelijktijdig te delen tussen gebruikers. Dit is mogelijk door toepassing van carrier grade network address translation (CG-NAT). In de analogie met huurauto’s betekent CG-NAT dat verschillende huurders landelijk in verschillende huurauto’s rondrijden, maar allemaal met hetzelfde kenteken. Zodra de politie de bestuurder wil identificeren is, behalve datum en tijd, ofwel meer informatie over de auto nodig (bijvoorbeeld: de kleur en het type van de auto) ofwel over de route (wáár is de auto gesignaleerd, of wat was de bestemming?).

CG-NAT wordt op dit moment met name toegepast op mobiele netwerken. Afhankelijk van de operator wordt een publiek IP-adres gelijktijdig gedeeld met een handvol tot duizenden andere abonnees. Aan alleen een IP-adres heeft de politie in geval van CG-NAT dan ook te weinig informatie om de voor opsporing relevante persoon te identificeren. Aanvullende informatie is derhalve nodig om deze groep personen te verkleinen.

Bevindingen

Huidige stand van zaken

De huidige stand van zaken is als volgt:

  • Identificatie van abonneehouders op basis van IP-adres en datum/tijd is op Nederlandse vaste netwerken over het algemeen goed mogelijk.
  • De mogelijkheden voor identificatie op basis van IP-adres verschillen sterk tussen de mobiele operators. Alleen in specifieke gevallen (afhankelijk van beschikbaarheid poortinformatie en de operator) kan tot één abonnee worden geïdentificeerd. In andere gevallen is de groepsgrootte tussen de 84 en 84.000 abonnees groot. Dit leidt tot problemen voor opsporingsinstanties.
Mogelijkheden tot verbetering

Om identificatie te verbeteren, zien we verschillende oplossingen. Deze verschillen netto nauwelijks in kosten voor de operators, maar wel sterk als het gaat om de bruikbaarheid voor opsporing en de mate van (mogelijke) privacyschending/juridische proportionaliteit van het bijhouden van informatie.

De meest voor de hand liggende oplossing om 1:1-identificatie te realiseren is uitrol van IPv6. De sector is het erover eens dat (om meer redenen dan identificatie alleen) uiteindelijk zal moeten worden gemigreerd naar IPv6. Er bestaat op dit moment echter nauwelijks een prikkel bij de Nederlandse mobiele internetproviders om dit te doen. Een enkele ISP heeft recent aangekondigd IPv6 te zullen uitrollen op haar netwerk. Mogelijk kan sterkere druk vanuit de overheid (als ‘klant’ van telecommunicatiediensten) een laatste zet in de juiste richting geven. Hoewel IPv6-adoptie enige tijd zal duren, en het IPv4-verkeer waarschijnlijk nooit volledig zal vervangen, leidt adoptie wel tot een lagere druk op CG-NAT, en daarmee ook tot verbeterde identificatiemogelijkheden op basis van een IPv4-adres.

Ook zonder IPv6 zou binnen enkele jaren identificatie tot een kleinere groepsgrootte realiseerbaar moeten zijn. We zien het toevoegen van IPv4-adressen als de meest eenvoudige oplossing. De ISP’s lijken over afdoende IPv4-adressen te beschikken die zij zouden kunnen (her)inzetten op hun mobiele netwerk (naar schatting zo’n 4,2 miljoen in totaal). Wanneer voor alle abonnees CG-NAT wordt toegepast, leidt dit tot een groepsgrootte van circa vijf abonnees. Wanneer een ISP de eigen IPv4-adressen niet anders kan of wil inzetten, zou deze IPv4-adressen kunnen inkopen. Hierbij spelen (eenmalige) kosten en de vraag of deze IPv4-adressen in de gevraagde hoeveelheid beschikbaar zijn.

Een alternatieve oplossing is om de toewijzing van source ports aan abonnees te loggen. Hiermee is 1:1 identificatie mogelijk wanneer poortinformatie beschibkaar is bij opsporing. Dit is echter in een minderheid van de zaken het geval. Voor de overige zaken verbetert source port logging de situatie niet.

Een tweede alternatieve oplossing is om terug te keren naar een vorm van logging van verkeersgegevens, waarbij de gegevens worden gemaskeerd. Er is dan niet meer exact te achterhalen met wie een verbinding werd opgezet, maar het is wel mogelijk een (kleinere) groep abonnees te identificeren gegeven een bepaald IP-adres. Of deze oplossingsrichting voldoende verbetering biedt gegeven de te maken kosten, is echter twijfelachtig. De privacy-inbreuk wordt (vanwege de kleinere groepsgrootte bij identificatie) enerzijds verlaagd, maar (afhankelijk van de invulling van het maskeren) verhoogd.

Internationale vergelijking

Uit de internationale vergelijking zijn op hoofdlijnen drie lessen te trekken voor de Nederlandse situatie:

  1. Nederland heeft een relatief zeer groot aantal IPv4-adressen ten opzichte van het aantal inwoners, waardoor er een kleinere prikkel bestaat voor ISP’s om IPv6 uit te rollen dan in andere landen.
  2. Nationale factoren, zoals nationaal beleid, zijn bepalend(er) dan de strategie van internationale ISP-conglomeraten bij het al dan niet adopteren van IPv6 door ISP’s.
  3. IPv6 op mobiele netwerken is volwassen en kan door operators binnen een afzienbare termijn worden uitgerold.

Beleidsopties

We zien een aantal beleidsopties:

  1. Een functionele verplichting voor ISP’s tot 1:1-identificatie. Gezien de aantallen (groeiend aantal apparaten/abonnees versus beschikbare hoeveelheid IPv4-adressen) betekent deze oplossing in de praktijk uiteindelijk een uitrol van IPv6. Desondanks worden de internetaanbieders in staat gesteld een eigen strategie te hanteren op de kortere termijn. Door implementatie van logging of het toevoegen van IPv4-adressen kan een operator ingrijpende wijzigingen enkele jaren uitstellen en hoeft zij investeringen in CG-NAT niet af te schrijven.
  2. IPv6-uitrol door ISP’s stimuleren of verplichten. Gelet op het aantal apparaten dat in de toekomst op internet zal zijn aangesloten, is uiteindelijke uitrol en adoptie van IPv6 onafwendbaar. Hoewel een verplichting tot uitrol van IPv6 zou kunnen worden opgelegd, is dit niet in lijn met de algemene beleidsvisie dat ISP’s zelf verantwoordelijk zijn voor hun technische keuzes, en sluit het andere technische oplossingsrichtingen wellicht uit.
  3. Een functionele verplichting voor ISP’s tot 1:N-identifcatie. Aangezien de internetaanbieders waarschijnlijk niet direct kunnen voldoen aan 1:1-identificatie (daar is hun techniek immers nog niet klaar voor), kan overwogen worden om de 1:1-eis pas na, of geleidelijk in, een aantal jaar in te laten gaan.
  4. Geen nieuw specifiek beleid voeren; ‘nudging’. Eventueel kunnen ‘zachtere’ instrumenten worden ingezet, zoals websites/online diensten aan te sporen source ports op te slaan, en kunnen internetaanbieders worden aangesproken op hun (morele) verantwoordelijkheid. Autonome uitrol van IPv6 door de ISP’s is waarschijnlijk, maar zal erg langzaam plaatsvinden.

 

 

  • Publicatienummer
    2018.115.1907
  • Publicatiedatum
    18 oktober 2019
  •  
  • Projectnummer
    2018.115
  • Opdrachtgever(s)
    Wetenschappelijk Onderzoeks & Documentatiecentrum
meer weten over dit onderwerp? Neem contact op met Tommy van der Vorst
Partner / senior adviseur